Wanneer we over de verduurzaming van gebouwen spreken, gaat het vaak over de warmtebron. Warmtepompen, warmtenetten en andere duurzame technieken krijgen veel aandacht. Maar uiteindelijk bepaalt niet één apparaat hoe goed een gebouw presteert. Het resultaat ontstaat uit de samenwerking tussen opwekking, distributie, afgifte en regeling. Die systeemgedachte wordt steeds belangrijker. Niet alleen omdat we energiezuiniger willen verwarmen, maar ook omdat de behoefte aan zomercomfort groeit. Een gebouw dat in de winter efficiënt moet worden verwarmd, moet in toenemende mate in de zomer ook comfortabel kunnen blijven. Daarmee ontstaat een andere vraag: waarom zouden we verwarmen en koelen automatisch als twee afzonderlijke technische opgaven behandelen, als één goed ontworpen afgiftesysteem beide functies kan ondersteunen?
“De energietransitie vraagt niet om meer apparaten, maar om systemen die meer functies met minder energie en materiaal kunnen vervullen.”
Van warmte naar gecombineerde afgifte
Traditioneel werd een radiator geselecteerd om één hoofdtaak uit te voeren: een ruimte verwarmen. De veranderende energievoorziening vraagt om een bredere benadering. Een moderne warmtebron, zoals een warmtepomp of een LTV warmte/koudenet, kan doorgaans zowel warm als koud water leveren. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om ook het watergedragen afgiftesysteem voor beide functies te ontwerpen: verwarmen in de winter en koelen in de zomer.
Dat klinkt als een kleine technische verandering, maar systeemtechnisch is het een fundamenteel andere benadering. Het afgiftesysteem wordt niet langer alleen geselecteerd op het warmteverlies, maar ook op de koelbehoefte. De keuze van de afgifte wordt daardoor veel belangrijker.
Twee functies hoeven niet automatisch twee systemen te betekenen
Wanneer verwarming en koeling afzonderlijk worden opgelost, kunnen in één gebouw twee technische infrastructuren ontstaan. Dat betekent extra apparatuur, leidingen, bekabeling en onderhoud. Aan de buitenzijde van gebouwen wordt dit soms letterlijk zichtbaar in de vorm van extra installaties en de bekende “witte plastic leidinggoten” langs gevels.
Daarmee ontstaat een vraag die verder gaat dan energiegebruik alleen. Hoeveel materiaal hebben we nodig om gedurende de levensduur van een gebouw het gewenste winter- én zomercomfort te realiseren? Dat wordt relevanter naarmate Whole Life Carbon en de materiaalgebonden milieu-impact van gebouwen zwaarder gaan meewegen. Niet alleen de energie die een installatie tijdens gebruik verbruikt telt dan mee, maar uiteindelijk ook de materialen die nodig zijn om de gewenste functie te leveren. De vergelijking wordt dan welke systeem levert het gevraagde comfort met zo min mogelijk energie, materiaal en aanvullende techniek gedurende de levensduur van het gebouw, i.p.v. welk verwarmingsproduct is het zuinigst.
Koelvermogen moet aantoonbaar zijn
Daarbij hoort een belangrijke technische voorwaarde. Een afgiftesysteem dat kan verwarmen, kan niet automatisch voldoende koelen. Bij lage temperatuurverwarming en watergedragen koeling moet daarom vooraf worden bepaald hoeveel vermogen in iedere ruimte werkelijk nodig is. Vervolgens moet worden vastgesteld of de gekozen afgifte dat vermogen onder de ontwerpcondities daadwerkelijk kan leveren.
Voor radiatoren en convectoren bestaat daarvoor een Europese meet- en beoordelingsroute via de NEN-EN 16430-serie. Daarin zijn onder meer methoden opgenomen voor het bepalen van het thermische vermogen en het droge koelvermogen van daarvoor geschikte afgiftesystemen. Dat is belangrijk. Want wanneer koelvermogen onderdeel wordt van het ontwerp, moet dat vermogen aantoonbaar zijn ook zoals vermeld in de NTA 8800.
Het achteraf toevoegen van losse ventilatoren aan een bestaand afgifte-element kan de luchtbeweging en warmteoverdracht beïnvloeden, maar daarmee ontstaat nog geen volgens dezelfde systeemcombinatie bepaalde koelprestatie. Een ventilator en een radiator afzonderlijk zeggen immers nog niet welk koelvermogen die combinatie onder omstandigheden levert.
“Welk koelvermogen is volgens een erkende meetmethode aantoonbaar beschikbaar bij de gekozen watertemperaturen?”
Ook koelvermogen alleen is niet voldoende. Een ruimte van bijvoorbeeld 24 °C kan op papier comfortabel lijken, maar toch als onaangenaam worden ervaren wanneer mensen voortdurend in een sterke koude luchtstroom zitten. Een ontwerprichtwaarde van het Bbl van circa 0,2 m/s in de leefzone kan daarbij als belangrijk comfortuitgangspunt worden gehanteerd, afhankelijk van gebruik, temperatuur en gekozen comfortcategorie. Dat maakt de afgiftekeuze opnieuw onderdeel van het totale systeemontwerp.
De energietransitie faalt niet vanwege de techniek, maar vanwege het systeem eromheen
Diezelfde systeemgedachte kan ook relevant zijn voor toekomstig stimuleringsbeleid. Veel subsidieregelingen zijn historisch opgebouwd rond afzonderlijke technieken of producten. Dat is begrijpelijk: een apparaat is relatief eenvoudig te definiëren en administratief te controleren. Maar de energieprestatie van een gebouw ontstaat niet door één apparaat.
Een efficiënte warmtebron kan minder efficiënt functioneren wanneer distributie, afgifte en regeling niet op de juiste ontwerpcondities zijn afgestemd. Daarom zou onderzocht kunnen worden of toekomstige stimuleringsregelingen sterker kunnen sturen op aantoonbare systeemprestatie in plaats van uitsluitend op de aanschaf van afzonderlijke producten.
Dat betekent niet dat ieder technisch component afzonderlijk subsidie moet krijgen. Het betekent juist dat beleid kan vragen welk resultaat de combinatie oplevert: welke systeemtemperaturen zijn mogelijk, welk verwarmings- en koelvermogen is beschikbaar, wat betekent dit voor energiegebruik en piekvermogen, en wordt het gewenste comfort daadwerkelijk bereikt?
“Subsidieer niet alleen wat er wordt geïnstalleerd, maar stimuleer vooral wat het totale systeem aantoonbaar presteert.”
De juiste afgifte wordt daarmee een strategische keuze
Voor nieuwbouw, maar vooral voor renovatie, betekent dit dat de keuze van het afgiftesysteem eerder in het ontwerpproces moet worden gemaakt. Wie vandaag alleen controleert of een woning bij lage watertemperatuur warm kan worden, beantwoordt feitelijk slechts de helft van de toekomstige comfortvraag. De tweede vraag is wat dezelfde woning tijdens warme perioden nodig heeft. Daarbij bestaan verschillende technische oplossingen en niet iedere woning vraagt om hetzelfde concept. Gebouwmassa, isolatie, glasoppervlak, zonwering en ventilatiemogelijkheden hebben allemaal invloed op de uiteindelijke koelbehoefte. Juist daarom moet de volgorde zijn: eerst de behoefte bepalen, daarna systeem prestaties daarna de techniek.
“Een systeem bestaand uit A klasse producten geeft niet perse een hoog rendement. Het kan nog steeds zeer slecht presteren omdat het niet op elkaar is afgestemd”
Conclusie
De energietransitie vraagt om een bredere blik op installaties. Het gaat niet meer uitsluitend om hoe we een gebouw in januari verwarmen, maar ook om hoe we het in juli comfortabel houden. Afgelopen zomer hadden we volgens de media in Nederland en België een oversterfte van 3000 personen. Daarbij verdienen systemen die meerdere functies kunnen combineren nadrukkelijk aandacht. Eén watergedragen infrastructuur voor verwarmen én koelen kan, wanneer gebouw, bron, distributie, regeling en afgifte daarop zijn ontworpen, een alternatief vormen voor het naast elkaar installeren van afzonderlijke systemen. Maar die prestatie moet wel aantoonbaar zijn.
Daar ligt ook een kans voor beleid. Wanneer regelgeving en stimuleringsmaatregelen sterker kijken naar aantoonbare systeemprestaties in plaats van uitsluitend naar afzonderlijke producten, ontstaat meer ruimte voor innovatie en technologieneutrale oplossingen. Want uiteindelijk is niet de vraag hoeveel duurzame apparaten we in een gebouw kunnen plaatsen. De vraag is hoeveel comfort we met zo weinig mogelijk energie, materiaal en techniek kunnen realiseren.

